| Perspectieven voor eigenaarschap van didactiek, basis voor professionele ruimte |
| 27-06-2011 |
![]() ‘De kwaliteit van het onderwijs (…) kan nooit hoger zijn dan de kwaliteiten van de leraren’ (Miriam Lieskamp). Met andere woorden: onderwijskwaliteit is afhankelijk van de didactische en vakinhoudelijke kwaliteiten van de onderwijsgevenden. In het rapport Dijsselbloem (2008) stond dat ‘het wàt’ , de leerinhouden, de verantwoordelijkheid van de overheid zou zijn, het hoè de manier van overbrengen, de didactiek, de verantwoordelijkheid van de mensen in het onderwijsveld. Dat was een reactie op de vernieuwde tweede fase, waarin de overheid zelfstandig werken en onderzoek doen voor de bovenbouw leek voor te schrijven. Het doel van de werkconferentie: inzicht geven in de bronnen van het didactisch meesterschap en haar professionele ruimte Inleiders: Marco Matthijsen, projectleider leerkracht aan zet, senior innovatieadviseur VBS en Chris Sigaloff, vice voorzitter kennisland, projectleider OnderwijsPioniers ‘Didactisch meesterschap is het centrale anker voor de onderwijsontwikkeling, want elke visie op onderwijs moet zich kunnen verbinden met het handelen in de klas’. Een hele mond vol dat thema van de werkconferentie (op 13 april 2011) van LeerkrachtaanZet, ABO (afd. Algemeen Bijzonder Onderwijs) en de NABS (koepelorganisatie van de algemeen bijzondere scholen). Als ik erop terugkijk en ontrafel wat de inleiders ermee bedoelden, kom ik tot de volgende versimpeling: de leraar bepaalt hoe hij/zij de leerstof aanbiedt aan zijn leerlingen met hun eigen sterke en zwakke punten, waarmee hij te maken heeft en rekening mee wil houden. Bovendien zal hij/zij zich bewust willen zijn van zijn eigen talenten zoals zijn inlevingsvermogen in zijn leerlingen, zijn didactische vaardigheden, zijn organisatietalent en de werksituatie (de groepsgrootte, het uur van de dag etc.), omdat hij/zij een didactische ontwikkelkaart heeft bijgehouden en weet waar hij/zij goed in is, wat hem/haar aanspreekt en welke talenten van hem/haar worden ingezet. Bovendien is het belangrijk zicht te blijven houden op de talenten en specifieke karaktereigenschappen van zijn/haar leerlingen en daarvan een talentenmap bij de te houden. Uit deze twee monden vol ‘waarheden’ volgt het onderstaande. Een leven lang leren 'onderwijzen' Natuurlijk betekent dat de leerkracht zich blijvend zal moeten bijscholen om nog beter te differentiëren, talenten van leerlingen aanspreken, door overleg met collega’s te voeren over hun werkwijzen en lessen van hen bij te wonen. Hij/zij zal zich steeds weer af willen vragen hoe hij zijn/haar leerstijlen kan verrijken en zwakke punten zou kunnen compenseren en dit op organisatieniveau van de school kan borgen, d.w.z. dat hij daarvoor de ruimte wil/moet krijgen van het management. Wat is er dus vanuit de organisatie nodig opdat de onderwijsgevende adequaat differentieert en eigenaar is van zijn eigen ontwikkeling. Met andere woorden: de schoolorganisatie moet daarvoor de ruimte geven. Het management Het is wel duidelijk dat als de leden van de schoolleiding de werkvloer goed willen begeleiden, deze leidinggevenden er baat bij hebben van zichzelf een ontwikkelkaart bij te houden en er idee van moet hebben hoe zij bij de leraren het beste uit zichzelf kunnen halen, hen te inspireren. Hoe bereik je als leidinggevende dat de leraren met hun verschillende talenten gemotiveerd zijn zich te ontwikkelen? Stel je als leidinggevenden open of gesloten vragen? Een (gesloten) suggestie die een oudere leraar bijvoorbeeld kreeg was: zou het je lukken, je een rol aan te meten van oudere wijze leraar? Na enige discussie kwam de (open) vervolgvraag: hoe zou je aan die rol nog verder invulling kunnen geven? Zo’n suggestie zou voor een jonge leraar ongepast zijn. Met andere woorden: hier is sprake van didactische differentiatie. Een andere (open) vraag: wat zijn jouw sterke punten als leraar en de (open) vervolgvraag; hoe zou je die in de klas kunnen inzetten? Gehanteerde werkvormen, motivatie Het gaat om mogelijke aanvliegroutes met de bedoeling je leerdoelen te bereiken. Welke werkvormen gebruik je veel om leerlingen te laten leren? Dat hangt natuurlijk af van het karakter van de leerkracht en de aard van de leerstof: gaat het bijvoorbeeld om de trits begrijpen, onthouden, toepassen (praktisch of creatief). Wat wil je daarbij aanspreken: de intrinsieke motivatie van het aanwakkeren van de wil, ofwel het vonkend bezig zijn met leerlingen tegenover de extrinsieke motivatie van zo moet het, je moet het zo doen, vinkend/inventariserend, vaststellend. Bij het laatste gebruik je de aanvliegroute van instructie en reproductie. Bij de intrinsieke motivatie kan je gebruik maken van iets verhalends waarmee je het onderwerp in verband brengt of door een vergelijking te maken die leerlingen aanspreekt. Je kunt hierbij ook denken aan spelend leren. De verschillen tussen de leerlingen onderling kan heel groot zijn: de één begrijpt snel en kan het snel automatiseren, bij een ander ligt het precies andersom, weer een ander is heel praktisch gericht en ziet meteen toepassingsmogelijkheden. Je kunt in verband hiermee vier bronnen van didactische differentiatie onderscheiden: 1. leerprestatie gericht met leerstof gerichte differentiatie.( instructie, onderwijsleergesprek, visualiserend, praktijkoplossend gericht); 2. Recht doen aan leerlingen, hun interesses en leerstijlen/talenten; 3. Gericht op brede vorming binnen elk vak, het breder trekken van het onderwerp binnen het vak; 4. Vormend, verbindend onderwijs met oriëntatierichtingen van leerlingen & het informele leerplan. Lerend team Wat kunnen je collega’s, gezien hun vakmatige leerstijl, talentgerichte didactiek jou leren en andersom, zij van jou? Overleg tijdens (sectie)vergaderingen, het bijwonen van elkaars lessen, het uitwisselen van de ontwikkelingskaarten; het zijn allemaal mogelijkheden die verrijkend kunnen werken bij het waarmaken van je eigen didactische vaardigheden, bij het realiseren van je vakmanschap, het meester zijn bij het didactische proces. Tenslotte dit Het gaat uiteindelijk om de leerlingen; zij willen zich gekend en gewaardeerd weten en met enthousiasme en inspiratie tegemoet getreden worden door iemand die met verrassende werkvormen kennis en vaardigheden weet over te brengen. Het zijn deze eigenschappen en activiteiten waardoor je oud-leerlingen zich jou (als leraar) zullen herinneren. Frans Konincks, leraar en vakbondsbestuurder |




![]() |
12-01-2012
(Actualiteiten)
|

![]() |
01-12-2011
(Perspectief)
|

|
16-11-2011
(Perspectief)
|

|
29-10-2011
(Actualiteiten)
|

